In het begin van dit jaar had ik mezelf een doel gesteld: elke dag een bepaald aantal woorden schrijven. Dat zou me beslist in korte tijd een heus boek opleveren! Dacht ik. Fout. Door omstandigheden en omdat het me niet bleek te liggen om te creëren als het “moet”, gingen mijn voornemens al gauw roemloos ten onder. De uitdaging en ik besloten uit elkaar te gaan. Heel wijs. Als iets niet werkt, is het uithuilen en opnieuw beginnen.

Het leverde me wel een flink aantal woorden op. Die werden gewikt en gewogen, voorzien van een kek jasje en gegoten in een hele nieuwe vorm. Waar het allemaal precies over gaat, zeg ik nog niet; proeflezers zullen zich de komende tijd gaan buigen over mijn nieuwste pennenvrucht. Dan volgt weer een periode van schrappen, beitelen en het betere plamuurwerk voordat ik het kan gaan voorleggen aan mijn uitgever.

Ik vond het zelf erg leuk om te doen. Het was minder arbeidsintensief dan het ontwerpen van een volledig nieuw universum. Die rust vond ik erg prettig. Bovendien daagde het verhaal mij uit om een andere, zachte kant bij mijzelf aan te boren. Meestal is “bloed moet” het motto, maar deze keer hield ik mij daar verre van. Dat beviel eigenlijk best goed. Natuurlijk is niet alles perfect, zelfs niet bij een nieuwe liefde.

Ik ontdekte dat ik minder vrij was in hoe ik mijn verhaal vertelde; dit — voor mij nieuwe — genre kent een strakke structuur. Als je daarvan afwijkt, schiet je het doel voorbij. Dat was wel even wennen.

Naast dit zijweggetje ben ik wel stug doorgegaan met “Roodborstje”. Ik hoop de huidige versie in juli te kunnen afronden waarna ik in augustus een maandje vakantie houd. Eindelijk kom ik dan zelf ook weer aan lezen toe. Heerlijk!

Vanaf september gaat “Roodborstje” voor het laatst onder het mes, zodat hij vanaf oktober klaar is voor redactie. Dan hoop ik dat de proeflezers ondertussen hun zegje hebben gedaan over mijn nieuwe project zodat ik daarmee verder kan.

Je ziet: ook al is het op digitaal gebied misschien wat stil; ik houd het duivelse oorkussen toch ver van mij!

woensdag 15.00 uur: nog te schrijven: 1000 woorden.

Een uitdaging zoals NaNoWriMo is duidelijk niet iets voor mij.  Ik ben nu ruim een week bezig met het behalen van mijn doelstelling. En het schiet niet op. Echt, heus, absoluut niet.

Het is zelfs zo erg, dat ik overweeg om te gaan sporten onder het motto: “dat is goed voor mijn gezondheid en dat gaat toch voor schrijven!”. Ik ben diep gezonken. Geen redding is nog mogelijk. Als je zelfs het vreselijkste van het gruwelijkste (in mijn geval sporten, iets dat ik hartgrondig verfoei) overweegt om onder een taak uit te komen is het erg met je gesteld.

Het feit dat ik moet gaan zitten om er per dag een bepaald aantal woorden uit te persen, gaat mijn creativiteit tegenwerken. Ik merk dat ik geblokkeerd raak. De gedachte dat ik moet slagen, moet “winnen” maakt me zelfs een beetje boos; haal ik het niet, dan faal ik, eindig als de "rode lantaarn" in een wielerkoers. Competitie is iets dat mij nooit heeft kunnen bekoren, een reden waarom ik niet meedoe aan schrijfwedstrijden. (Een wedstrijd jureren is iets anders, dat mag ik dan weer wel graag doen.) Dus deze wedstrijd tegen mijzelf is niets meer of minder dan zelfkastijding.

Het behalen van een woordenaantal is inmiddels een formidabele tegenstander geworden die ik bijna niet kan verslaan. Ik zie hem (waarom hij van het mannelijk geslacht is, blijft een raadsel dat ik niet op kan lossen, hoe ik er ook over pieker, dit terzijde en wellicht is dat weer voer voor de psychologen onder ons) voor me, in zijn schitterend gepoetste harnas, zijn lans (die uiteraard bestaat uit een gigantisch uitroepteken) in de aanslag. Zijn O-tjes loeren tussen de [ ] door. Zijn mond is een uitdagende X. Nee, zoenen wil ik je niet. Hooguit slaan met een T. Die komt hard aan. Misschien gooit hij met een R. Of een regen van “r”: rrrrrrrrrrrrrr. Zie die maar eens te ontwijken. Tuurlijk, ik kan me verschuilen achter een B. Ik ben nogal voluptueus, een “b” heeft geen zin. Moet dus wel een “B” zijn. Ik kan een D als schild gebruiken tegen die rrrrrrrrrrrrrrr. Tenzij hij dat pareert met een venijnige H. Ik zie het somber in. Maar dat telt alleen voor mij.

Er zijn schrijvers bij die de discipline van elke dag schrijven juist nodig hebben. Op zich heb ik daar geen bezwaar tegen: tijdschrijven. Elke dag een uurtje uittrekken en je gedachten op papier zetten is voor mij juist weer prima. Uit dat gepruttel komt dan plotseling een zin die je op het goede pad zet. Zelfs al schrijf je in dat uur tien woorden, dan is het al goed. Maar dan hoef je niet angstvallig naar dat nare getal te kijken dat jouw woordental bijhoudt, je hoeft hooguit naar de klok te kijken en vreemd genoeg gaat de tijd sneller vooruit dan het woordenbeultje onder aan je scherm.

Er stonden een drietal van deze uitdagingen voor mijzelf gepland dit jaar. Ik ga nu al zeggen: die planning gaat veranderen. Ik zal dolblij zijn als ik deze heb voltooid, en dan ga er nog niet eens van uit dat ik hem goed volbreng. Verdorie. Nog duizend woorden. Ik had nog wat in te halen van gisteren, toen ik er door omstandigheden (en dat is echt, en heel eerlijk waar) niet aan toe kwam.

Deze uitdaging voor mijzelf was eens, maar nooit, nooit, nooit meer. Ja, herhaling van een woord. Ik weet het; makkelijk verdient. Maar je moet toch wat. Ik kan het. Denk ik. Misschien moet ik even thee gaan zetten. En het vogelhuisje voorzien van nieuw voer.

16.00 uur: nog te schrijven: 900 woorden.

Ik geef het officieel op. Dit is niets voor mij. Totaal aantal geschreven woorden, minus deze blog: 13666. Ik moet erbij zeggen dat dit dan ook wel 13666 goede woorden zijn. Er zitten hele fraaie scènes tussen die ik absoluut verder kan uitbouwen. Dus verloren is het niet. Sterker nog, het is een begin. Misschien haal ik mijn doelstelling alsnog, maar dan met een andere aanpak. Goed beschouwd ben ik dus een knuffelverliezer; misschien het doel niet gehaald, maar ik ben ook zo verdomde schattig dat dit je niet kan schelen.

Ik ga dus gewoon verder. Maar dan op mijn manier. 

Het is zover. Na maanden ploeteren ligt het er: een heus roodborstje (werktitel) is uit het ei gekropen. Het ging iets moeilijker dan ik had verwacht; ik zat nog erg vast in de wereld van de Weerwolven en aangezien dit boek daar niet over gaat, vond  ik het best lastig om mijn hoofd erbij te houden.

Het is geen nieuwe wereld waar ik nu in rondwandel, in tegendeel, het is onvervalste Polderhorror. Gewoon in je achtertuin. En da's best verfrissend. Geen uitgebreide werelden met mysterieuze bewoners, aparte talen en onbegrijpelijke wetten en gebruiken. Gewoon tante Klara die al theedrinkend iemand van het leven beroofd  om daarna het breiwerk weer op te pakken. We doen dat te weinig, vind ik, nederhorror. We kijken te veel naar het buitenland en schrijven op de manier waarop onze collega's overzee dat doen. Waarom zou er niet in onze eigen Utrechtse Heuvelrug een roedel Weerwolven kunnen ronddartelen? Wat is er vreemd aan Japie die, bezeten door een demon, half Lutjebroek de stuipen op het lijf jaagt? Waarom niet Oma de Vries, die een wel heel vreemd kopje thee inschenkt voor de buurman. Moet allemaal kunnen. Nou ja, daar gaat mijn boek natuurlijk niet over. 

Waar het wel over gaat? Dat verklap ik nog niet. Het is namelijk nog niet helemaal af. De komende week spendeer ik nog aan het nalopen van de losse eindjes in de verhaallijn en dan gaat het de ijskast in. Na vier weken haal ik het eruit en dan ga ik schaven aan het taalgebruik.  Na die fase ga ik het aanbieden aan mijn uitgever. Pas als zij er brood in ziet, vertel ik waar het over gaat. Tot die tijd ... 

Wachten we op het derde deel van de Boeken van de Varulven: De Zilveren Raaf, dat, als alles goed gaat, eind september in de boekhandels ligt! Zie ik jullie dan in Arcen? Beloofd? Kunnen we praten over Nederhorror en alles wat daarmee samenhangt.

En dan is hij er niet meer. Mijn uitgever. Zomaar ineens. Ik kan het niet bevatten. De hele ochtend zit ik er mee in mijn hoofd, en denk ik terug aan het laatste contact dat we hadden, toevallig per mail. We zouden elkaar eindelijk weer eens echt gaan zien op Elfia.

In 2011 legden we het eerste contact en in 2013 verscheen bij zijn uitgeverij Zilverspoor mijn debutroman, een periode waarin ik gegroeid ben als schrijfster, als lezer en als creatief mens. Ik ontdekte kanten van en in mijzelf die er eerst nog niet waren. Daarvoor zal ik hem altijd dankbaar zijn.

Jos was een man met een visie, die geloofde in de 'underdog', de auteur die bij andere uitgeverijen geen poot aan de grond kreeg maar die vol zaten van verhalen die verteld en gelezen zouden moeten worden. Hij gaf ze een podium. De Fantasywereld verliest in hem een pioneer, een creatief dier, dat op fantastische wijze met zijn eigen artstudio werelden tot leven bracht.

Ik kan alleen zeggen: dank je wel, Jos, voor jouw geloof in mij en je vertrouwen.

liefs, Roos.

De afgelopen maanden was het allemaal maar stilletjes op het internet. Betekent dat ook dat ik stilgezeten heb? Zeker niet.

De redactie van de 'Zilveren Raaf', het sluitstuk van de trilogie, had behoorlijk wat voeten in de aarde. Daarnaast speelde mee, dat ik Fantastels mee mocht gaan jureren.

Daar was ik behoorlijk zenuwachtig voor. Want wie ben ik om een oordeel te geven over het werk van een ander? Plotseling wist ik hoe de juryleden van al die talentenjachten zich moesten voelen. De andere kant, die van auteur, kende ik al, want van mijn redactie ben ik altijd behoorlijk van slag. Het is dat rood, hè, dat je redactrice zo venijnig (maar uiterst correct) neerzet in de kantlijn. Dingen waar jij niet aan gedacht hebt omdat je met je hoofd midden in de verhaallijn zat. Dingen waar je om moet vloeken en dingen waar je van moet zuchten.

Terug naar Fantastels. De eerste ronde zit erop en binnenkort hoor ik wie er doorgaan naar de tweede. Ik hoop van harte dat er verhalen tussen zitten die ik in mijn top tien heb staan. Er zaten juweeltjes tussen! Ik vond het erg moeilijk om een keuze te maken. De verhalen lagen qua kwaliteit heel dicht bij elkaar en dan moet je gaan stemmen: wie heeft net dat tikkie meer? Achter elk verhaal zit een auteur en dat maakt het zo moeilijk. Er is zo gezwoegd, zo gezweet.  Toch kan er maar eentje winnen.

Dat telt ook voor de Paul Harland prijs die in februari uitgereikt gaat worden op het Gala van het Fantastische Boek. Ik heb niet gejureerd natuurlijk, maar ik ben wel bij dat gala aanwezig, net als straks in april bij de uitreiking van Fantastels. Ik ben heel benieuwd wie ik uiteindelijk mag gaan feliciteren als de winnaar. Wie heeft die X-factor? Wie is de Idol? Of zijn we dat niet allemaal een beetje, gewoon omdat we lezers, liefhebbers en auteurs van Fantastische boeken zijn?

Daar zit ik dan. Achter een nieuwe laptop. Van een ander merk. Sneller, strak in 't pak, met extra's. windows 8.1 en een ruimte op de harde schijf waar je koud van wordt. Het geheugen van zes dronken olifanten. Die vergeten niets. Zelfs niet in benevelde en licht verheugde toestand. En jongens, wat voelt dat als verraad.

Mijn oude trouwe HP Compaq is van het weekend schoongemaakt en al rochelend en kuchend heeeft hij nog een laatste virusscan afgewerkt. Ik moest 'm op zijn zijde leggen om dat de ventilator anders zijn warmte niet kwijt kon. Lag ie daar.  De met vrolijke bloemetjes beplakte klep vormde samen het het gladgesleten keyboard een V op de tafel en een kluif van de honden was het steuntje in de rug. Arme Hippie. (zo heet ie) Samen schreven we drie boeken, twee verhalen en ik had gehoopt nog veel meer.  In 2009 schafte ik je aan en na een eenmalige registratie op het internet bleef je verstoken van de digitale snelweg. Met opzet, want ik wilde niet afgeleid worden door de mogelijkheid te gaan surfen.  Zo kreeg je de naam " hippie"omdat je wereldvreemd was en vol peace and love samen met mij woord naar woord wegtikte. Ook kwam er wel eens verdachte rook uit je. Was dat om je bugs uit te roken of was het -eerlijk zeggen nu!- wiet?

Toen na een poosje bleek dat het toch handig was om een blik op het WWW te kunnen werpen hebben we je aangesloten. Je ging updaten. Vista nog wel. Ruim vierentwintig uur deed je erover, maar je crashte niet! Oh nee! Je ging door, en gulzig installeerde je de ene update na de andere.  In een oogwenk werd je wereldje dat niet groter was dan een word bestandje en een spelletje jewelquest, een oneindig universum vol kennis en pulp. Samen surften we wat af, allemaal in het kader van 'onderzoek'natuurlijk.

Samen voltooiden we twee delen van de trilogie en ik had gehoopt ook het derde deel met jou te kunnen volmaken. Maar dat gaat niet meer. Je wordt zo warm, dat het niet meer verantwoord is en je kan niet meer zonder je infuus- de acccu. Toch blijf ik je updaten. Zolang vista in de lucht is, ga ik je regelmatig te voorschijn halen. En... dat beloof ik: jij krijgt het laatste woord. Op jouw toetsen zal ik de laatste wijziging invoeren in het manuscript van "De Zilveren Raaf" voor het naar de uitgever gaat voor de zetproef. Dat ben ik aan je verplicht.

Ik heb nooit begrepen waarom mannen zo'n band kunnen hebben met hun auto of andere technologische snufjes maar sinds ik wist dat ik afstand moest gaan doen van Hippie, voel ik met ze mee. Ik heb er tegenaan zitten hikken, dat afstand doen. Het voelde gewoon als verraad en helemaal niet goed, om hem in te wisselen. Hij is een stuk van mij geworden. Via zijn keyboard kwamen de beelden in mijn hoofd voor iedereen tot leven, kon iedereen ze lézen.

Voor de nieuwe snelle jongen waar ik nu op tik, is dat hoopgevend; ook hij zal niet bij het oud vuil worden weggezet, die zekerheid heeft hij. Met hem ga ik nieuwe avonturen beleven, iets dat ik tot nu toe hardnekkig heb geweigerd, steeds een nieuw verhaal uitstellend, mijn draai niet kunnen vindend met de smoes: ach, Hippie wordt te warm.

Geen excuus meer: het nieuwe leven wacht. Hippie ligt nu keurig opgeborgen in een sleeve. Ik ga eens nadenken over een mogelijke andere bestemming voor hem. Hippie is met pensioen. Leve de nieuwe Laptop! (nu nog een naam verzinnen...)

Wil je me  "in het wild" zien of spreken? Dat kan op onderstaande evenementen en data:

 

Op dit moment is er geen promotie gepland.